De Boezewoesj

Het echte Vlaams is een rijke taal met voor Nederlanders erg vreemde woorden. Zoals ‘boezewoesj’. Daar wordt een vreemde, verre en vermoedelijk onherbergzame streek of plaats mee bedoeld. Vraag de Inquisiteur niet waar het woord vandaan komt, waarschijnlijk ergens uit een ver koloniaal geheugen toen België  nog de trotse ‘eigenaar’ van de Congo was.

In dit blog staat de boezewoesj voor de Isaanstreek. Het hartje ervan, want velen denken dat Isaan gans noord-Thailand beslaat maar niets is minder waar. De echte Isaan zijn een drietal provincies in het noord-oosten, ingebed tussen Cambodja en Laos. Het begint ergens ten noorden van Korat (Nakhon Ratchasima), zo’n 200km ten noorden van Bangkok. Het echte hart is de provincie Sakun Nakhon. En vermits de Inquisiteur daar de laatste maanden erg vaak vertoeft wegens het werken aan een nieuw dak boven zijn hoofd dwalen zijn gedachten wel eens af naar de boevenbende in de Brass Monkey bar. Hoe zouden zij de ‘Boezewoesj’ ondergaan ?

 

Neem nou bijvoorbeeld Daan. Wegens zijn tandarts-achtergronden een pietje precies want zo iemand moet erg nauwkeurig zijn bij de behandeling van zijn patiënten. En Daan gaat ginds een huis laten bouwen. Ervaring heeft hij al want in een ver verleden construeerde hij al eens een kippenhok in Thailand. Dus gepakt en gezakt met eigen tekeningen engageert hij vol vertrouwen een <chang> (vakman), in dit geval een <chang cement>. Bij aanvang, de ruwbouw weet-je-wel, gaat dat nog redelijk. Daan kent immers de bouwtechnieken niet, ergens in zijn hoofd komen de gedachten boven dat hij deze al eens gezien heeft in de jaren zestig van de vorige eeuw in Nederland maar wat geeft het. 

Tandenknarsend (what’s in a name) geeft hij geen kik wanneer de steunpalen variëren van twintig tot vijfentwintig centimeter dik. En dat ze gemiddeld vijf centimeter scheef staan, <mai pen rai>, ze worden achteraf recht getrokken door cementbezetting beweert zijn <chang>.

Erger wordt het wanneer hij afmetingen controleert en ziet dat zijn slaapkamer, die hij zorgvuldig ontwierp voor zijn bestaande meubelen, geen vier meter twintig diep is maar slechts drie meter negentig. Kunnen zijn kasten niet meer open, het looppad tussen bed en kast is te smal geworden. Maar je kan natuurlijk niet al die steunpalen laten afbreken dus legt Daan zich neer bij de feiten, voor elk probleem is er een oplossing. Dat de ramen gemiddeld twintig centimeter lager, hoger, smaller of breder zijn geworden, tsja, nogmaals, mai pen rai. De stenen muren die er nadien worden tussen gemetst liggen niet in verband, wanneer Daan’s massieve lijf er tegenaan zou lopen vallen ze zo maar om. Daan bid en smeekt en krijgt gedaan dat ze, zelfs gratis, vervangen worden. Maar ondertussen is Daan’s zorgvuldige planning al danig in de war gekomen, de werken om het huis wind- en waterdicht te krijgen duren nu al anderhalve maand langer dan voorzien.

Daan’s doodsklop komt door de hoogtes. De aannemer heeft alles zo’n veertig centimeter lager gemaakt dan op zijn tekeningen. De benedenverdieping is nu op twee meter zeventig in plaats van de geplande drie meter tien. De doorloopruimte onder zijn trap is te laag geworden, zijn mooie, dure koelkast kan er niet meer onder. Moet hij die kolos elders kwijt maar nergens plaats. En is Daan volledig murw geslagen door de deurhoogtes. Hier plaatst men de kozijnen van de binnendeuren tegelijk met de muren. Maar houdt men geen rekening met de hoogte van de afgewerkte vloer, die ligt zo’n tien centimeter hoger dan het beton. En liet hij de aannemer in vol vertrouwen de kozijnen aankopen. De aannemer nam de Thaise maat : twee meter. Trek daar die tien centimeter vloer van af en dan weet je dat je een doorloophoogte krijgt van zo’n meter negentig. 

Daan is twee meter. En hij beseft dat hij hier zowat de rest van zijn leven gaat ronddolen met een voorhoofd vol Gorbatchov-vlekken.

 

De Boezewoesj is het echte platteland, vergelijkbaar met dat in Europa zo’n 60 jaar geleden. Denk er alleen auto’s en mobiele telefoons bij, de rest is hetzelfde gebleven als toen. Rijst, rubber, hout en veehouderij. Eigenlijk is ieder huis -buiten de steden- hier een boerderij.

En dan stelt de Inquisiteur zich hier een dierenvriend als Gerard voor. Het begint al onderweg, zelfs in de verwesterde delen als Pattaya, Bangkok en andere zie je vrij veel dode karkassen van honden en katten liggen. Eens voorbij Korat verdubbelt dat aantal. Nu ja, Gerard is geen doetje en weinig onder de indruk. Eens dieper in Isaan is het zelfs leuk want een overvloed aan dieren. Regelmaat zie je een slang bliksemsnel over het wegdek spartelen omdat er al een auto of twee overheen reed, met wat geluk een dode os die te traag was of wat kippen die overmoedig straat overstaken. 

Eens ter plaatse in het dorpje van zijn toekomst merkt hij een enorm aantal honden en kippen, voornamelijk hanen, op. Omdat Isaaners nogal wantrouwig zijn duurt het een tijdje tot je weet waarom. De hanen zijn voor de bloederige hanengevechten waar zwaar op gewed wordt. De honden zijn voor de export vertellen ze je. Later weet je wel beter omdat je zowat dagelijks met akelige hondengeluiden te maken krijgt. 

Nu geldt dit niet voor alle honden. De beste, sterkste en grootste worden gehouden. Als wakers op het erf, de reden waarom ze redelijk agressief zijn. En de honden die verloren lopen of om economische redenen worden afgestoten verzamelen zich in roedels. Meteen snapt Gerard waarom de meeste mensen hier met een stok rond lopen – niet alleen om de <kwaai’s> (soort zwarte buffels met zware hoorns) op hun plaats te wijzen maar ook om de hondenroedels van je lijf te houden. Katten worden dan weer aanzien als nuttig, ze houden ratten en ander ongedierte weg van huis, rijstvoorraad en slaapkamer. Maar die beesten moeten zelf hun kostje bijeen scharrelen en leren op jonge leeftijd en hardhandige wijze dat ze van de jonge kippen af moeten blijven.

Gerard wordt ook geconfronteerd met andere dieren. Slangen bij de vleet, ratten die verkocht worden als delicatesse en met hoofd, haar en ingewanden op de barbecue gelegd worden, kikkers in alle formaten die ook al als lekker eten beschouwd worden en vooral een scala aan insecten. Mieren, inclusief de eieren zijn proteïnerijk en dus geliefd. Krekels, hagedissen en andere beesten met veel poten gaan genadeloos de pot in. De muggen en vliegen kende Gerard al van in Nongprue.

 

David mag ook niet in deze fantasie ontbreken natuurlijk. Heeft zelfs ervaring is zijn bewering maar hield het slechts drie maanden vol – dat bekent hij eerlijk. En zat hij geeneens in de Isaan. David is een Friese boerenzoon en zou eigenlijk geen last mogen hebben hier. Heeft hij ook niet – van de beesten, soortgelijke toestanden vind je ook nog in Friesland beweren mijn Amsterdamse vrienden en ik geloof hen op hun woord. 

David heeft last van andere dingen. Hij slaapt graag uit en dat kan hier niet. Bij zonsopgang, even voor zessen, begint het al. Roepende hanen dwalen vrij rond en meestal net voor zijn slaapkamerraam – een slecht sluitend houten luik dat geluid volledig door laat. Klokslag zes hoort hij het vreemde “booummm”. Om de vijfhonderd meter staat er wel een Boeddhistisch tempeltje waar minstens drie monniken in leven. En die slaan op een gong, op ieder vol uur. Hij probeert zich nog even om te draaien maar het is hopeloos. Om kwart over zes kreunt er een Thais muziekje door de talloze luidsprekers die David al had opgemerkt, ze hangen in ieder dorpje. Het opperhoofd wekt domweg iedereen, ze moeten de rijstvelden in. Een onwaarschijnlijk energievol preekje, wat informatie over de komende festiviteiten en David moet er wel uit.

Slaperig en stijf kruipt hij recht van zijn matje op de vloer en gaat op zoek naar koffie. Geen evidentie hier want alles krijgt dagelijks een andere plaats. Zag hij die koffie gisteren nog op het keukenwerkblad liggen, vandaag ligt die in een kast in de woonruimte. Kost David een kwartier om het te vinden. Vervolgens een kop en een lepel. Nog een kwartier. Dan de waterkoker die hij zelf meebracht – hebben ze rijst in gestoken, lekker handig. Kortom, uitgeput bereikt David het terras waar hij bij een zalige kop koffie wil wakker worden. Maar als Fries heeft hij wat met de hitte hier. 

Een hete wolk hangt om hem heen en het zweet breekt hem uit. Om zeven uur ‘s ochtends is het al tweeëndertig graden. OK, op eigen kosten heeft hij een plafondventilator laten hangen herinnert hij zich. Alleen moet hij over een hoop dozen, een deel plastic zakken met lege flessen en wat katten heen kruipen om de schakelaar te bereiken. Die hebben ze, vreemd genoeg voor Thailand, op een onbereikbare hoogte van twee meter vijftig gehangen. Moedig zet David door en zwaar zwetend bereikt hij de schakelaar. Maar er komt geen beweging in de hete brij, de ventilator werkt niet. Pas seconden later beseft David dat de stroom is uitgevallen, een dagelijks feit. En beseft hij ook dat de warmwaterboiler, ook al een eigen investering in schoonmamma’s huis, een nutteloos ding is geworden en dat hij met ijskoud water te maken zal krijgen tijdens het douchen. Met plastic bakje uit de stenen ton te kappen.

David houdt niet van Isaan, het is hem te vermoeiend.

 

Leen. Maffiabaas pur sang. Die heeft geen last van dat alles. Slaapt waar het mogelijk is, zweet als een rund zonder probleem. Honden en katten mijden hem wegens de talloze tattoo’s op zijn lijf en zijn maffia-blik, de vrij rondlopende ossen maken een ommetje om hem heen. Alles wat te vreten valt gaat bij hem binnen, zolang hij maar over mayonaise beschikt. Zijn aangeboren luiheid maakt dat hij geen last van de hitte heeft, hij kan schaamteloos hangen, zitten en liggen wegens ‘te warm’. Insecten deren hem niet, de eetbaren gaan direct richting mond, de andere sterven een genadeloze dood. Maar toch heeft Leen een probleem in Isaan. Het ontbreken van het nodige vertier. geen kroeg om een stamverblijf van te maken, geen massagesalons, geen ‘farang’-vriendenkring om bij aan te lopen voor een biertje. Kortom, Leen zou hier een eenzame drinker worden. Mogelijk dan toch geen probleem ?

 

En uiteraard mag onze stamkroegbaas niet ontbreken in dit lijstje. Eigenlijk kort te beschrijven : binnen de drie dagen is Jack dood. Gestorven aan stress en angst. Enkel de menselijke soort is aan hem besteed, alle andere zoogdieren, laat staan insecten en reptielen, zijn taboe voor hem. Een beetje bloed kan hij niet zien, dus de kadavers op de wegen laten hem huiveren. Van muggen is hij stervensbang, hier zit een veelvoud van dat soort vliegbeesten. Spinnen en insecten jagen hem zijn slaapkamer op de eerste verdieping uit, wat zou dat worden hier op een matje op de begane grond? Gekko’s die ‘s nachts over zijn lijf zouden kruipen? Het ritselende geluid van ratten op het houten lattenwerk van het dak? Dat vreemde geluid van een kruipende slang aan zijn slaapkamerraam? De hardheid van het leven hier, het o zo exotische eten, de genadeloosheid tegenover dieren. Jack is een geboren stadsmens en zal je nooit tegen komen in Isaan !

De Inquisiteur