Nostalgie

Als Inquisiteur moet het me van het hart : mijn dorp is aan het veranderen. Nongprue gaat mee in de vaart der volkeren en waarschijnlijk nog sneller dan in de meeste delen van de wereld. Gestuwd door een al dan niet verantwoorde economische groei in zuidoost Azië en nog sneller wegens aangrenzend bij het zichzelf kosmopolitisch noemende Pattaya gaat het snel, veel te snel. Snorrend op mijn motorfiets valt het nog meer op. Er wordt gebouwd, er komen talloze handelszaken bij, wegen worden heraangelegd en er komen nieuwe straten bij. Straatverlichting wordt geautomatiseerd, neonreclames verschijnen bij de vleet. En het plattelandskarakter verdwijnt.

 

Toen ik, ongeveer drieëntwintig jaar geleden, voor de eerste keer in deze contreien verzeilde was dat eerder uit avontuur. En wegens minder eerbare redenen, mensen die hier destijds al woonden wisten enkele louche kroegen en die moesten worden bezocht. Weinigen durfden het aan : je begon met een wankel oud brommertje te huren, onverzekerd tot en met maar dat wisten we toen niet. Om vijfhonderd meter verder, je was niet eens van Beach Road tot op Klang geraakt, stil te vallen. Lege tank maar geen indicator. En een benzinestation vinden was lastig. Vervolgens reed je naar een enorm drukke weg, Sukhumvit Road, toen een simpele rijweg met twee rijstroken doch chaotisch en levensgevaarlijk. Om een idee te geven : het duurde meer dan vier uur om van Bangkok tot in Pattaya te geraken, iets waar je nu een uurtje en een kwart voor nodig hebt. In die jaren kwamen de eerste verkeerslichten te voorschijn maar geen Thai die er rekening mee hield. Krakende bussen beschilderd met kleurrijke taferelen reden op het verkeerde rijvak, dertig jaar oude vrachtwagens met een houten laadbak en mooi beslagen blik op de carrosserie boorden zich al toeterend doorheen de pick-up trucks, de sidecars en de honderden motorfietsen. Er liepen ook nog stootkarren en buffels tussen – in plaats van fietsers want die waren er toen nog niet. Voetgangers werden beschouwd als zelfmoordenaars.

 

Die weg was dan ook een barrière, letterlijk en figuurlijk. Pattaya stapte net op de trein naar moderniteit maar aan de overzijde was Nongprue nog ruraal Thailand. Asfalt of beton was zeldzaam en vanaf de spoorweg werd het een simpele zandweg. De weinige huizen, meestal nog in hout, hielden op vanaf het spoor. Kokospalmen, bananenbomen, ananasplantages, rijstvelden, kleine poeltjes en veel groen waar tussenin vreemde soorten buffels graasden. Je hoorde de kikkers kwaken na een bui, je zag exotische vogels nesten bouwen. Regelmatig kwam je een olifant tegen die even zonder zijn mahout op stap ging. Vriendelijke plattelanders in traditionele kledij met de altijd aanwezige glimlach. Of zag je een slang op de weg liggen, die beesten kwamen ook in aanvaring met de moderne tijd en sneuvelden massaal door het opkomende autoverkeer.

 

Maar het was toen al geweten : dit gaat veranderen. Wij gingen op stap net na de middag en ons eerste doel was het Dao Resort. Zonder uitzondering dachten we met z’n allen dat de eigenaar, een Fransman, gek was. Wie bouwt er nu zulk een mooi resortje in het midden van niets ? Toegegeven, men was al enkele villages aan het bouwen in de buurt. Gezellige spullen en spotgoedkoop, gericht op buitenlanders die het milde klimaat en het goedkope leven opzochten. Toen al. Dao Resort had ook een restaurantje waar je voor een euro of drie (toen waren het nog Belgische franken en Nederlandse guldens) lekker westers peppersteak, salade en frietjes kon eten. Gezellige omgeving, zwembad en buiten eten, wat moest een mens nog meer? Wel, achter het hotelgedeelte was ook een bar, Dao Bar. Ons tweede doel, het pintelieren kon aanvangen.

 

Na een uurtje of zo, er waren toen nauwelijks pooltafels, trokken we verder. Nog dieper de rimboe in. Wanneer het regende, en dat kan wel eens in de maanden juli of augustus, een hele onderneming. Want nu was er niks meer dat op een wegbedekking leek. Een zandweg vol kuilen en diepe plassen. Indien de zon scheen, nog waarschijnlijker dan regen, zag enkel diegene die als eerste reed wat voor zich uit. De rest was in een stofwolk gehuld. Geen nood echter, we genoten even veel van de rit als van het cafébezoek. 

Een eind verder op wat nu Siam Country Road heet, was er nog een kroeg. De Butterfly Bar. De naam alleen al. Pleisterplaats voor hooghartige golfers die hun gades wijs maakten dat ze tot vlak voor zonsondergang zouden spelen, maar zich vervolgens rond dertien uur in deze kroeg begroeven om zich aan een bacchanaal te zetten. Zij waren de stamgasten en ze tolereerden toeristen als wij nauwelijks. Tot hun partners wat plaatselijke roddel opvingen en zich op een dag rond twaalf uur installeerden in de Butterfly. De bar overleefde die middag nauwelijks en is sindsdien gedegradeerd, enkel hardliners komen er nog.

 

In de loop der jaren breidde Nongprue, in Pattaya smalend de Darkside genoemd, uit. Er werden nog veel meer villages gebouwd en er kwamen winkels bij. Zelfs een soort taxidienst, pick-up trucks maar hier in het rood om het verschil met de Pattayaanse taxi’s te kunnen zien en die vertragen nog steeds alle verkeer op de spitsuren. Kroegen verschenen bij de vleet, velen verdwenen net zo snel. Kwam er zelfs een ‘bruin cafe’ op de proppen. De Lucky Time bar. Op en top Hollands, hotel, restaurant en cafe. De eerste jaren in Thaise traditie, geen ramen en deuren tot de eigenaar besloot om er een airco-gekoelde zaak van te maken. En hup, plots was er ook koffie te verkrijgen, enigszins drinkbaar want in de rest van Thailand was dat tot voor de eenentwintigste eeuw een soort afwaswater. De zaak bestaat nog steeds.

 

Vele avontuurlijke farangs zagen brood in de Darkside. Spotgoedkoop een zaakje openen en zie, de destijds economische hoogdagen in het westen zorgden voor een stroom toeristen en expats. Het huren van een motorfiets was nu veel makkelijker en ook de Darkside bloeide – in het donker. Wie het aandurfde om ‘s avonds te komen kreeg de schrik van zijn leven. Van het fel verlichte Pattaya stak je de nu zestig meter brede Sukhumvit over en moest je vervolgens even wachten. Tot je ogen aan de duisternis waren aangepast. Geen straatverlichting, geen neonreclames. Maar het was al beter dan ervoor. Er kwamen wegwijzers in het Engels. En bleven ze bouwen.

 

Twintig jaar later bouwen ze nog steeds massaal. Er is regelmatig water nu. De elektriciteit valt niet meer met de regelmaat van de klok uit. Internet is menselijk geworden. Zelfs in mijn wijk moeten we de straatverlichting niet meer zelf aanknippen. Af en toe vult men de kuilen in het wegdek op. Lintbebouwing op zijn Vlaams. Er is nu een echt spitsuur, vooral de levensaders van Nongprue, soi Nern Plub Waan, soi Kao Noi en soi Kao Talo veranderen iedere ochtend en avond in een chaos.

Voor spontaan tropisch groen moet je nu een kilometer of tien verder rijden. Handelszaken en kroegen blijven moderniseren, ze hebben nu allemaal een westers toilet. Ik weet nog een bar of twee, drie met een bamboe dakbedekking en een <gat in de grond> maar dat is het. Ze hebben nu overal koud bier. Je krijgt geen diarree meer van de ijsblokjes. Olifanten komen niet meer in de bebouwde omgeving, daar tegenover zie je vaker en vaker slangen die te weinig territorium vinden en zodoende in de woonwijken verdwalen. Door de vercommercialisering hoef je de taal niet meer te spreken, Engels kunnen ze overal en ook de Russen komen al ver met hun koeterwaals.

 

En verscheen er nog een fenomeen : de Brass Monkey Bar. Thais gebouwd want geen ramen en deuren, vloeren op verschillende niveau’s waarbij men nooit een waterpas heeft gebruikt. Maar Hollands onderhouden, altijd netjes en proper. Het bier net iets kouder dan elders. De barstoelen net iets breder voor de gezette westerse mens. Veel meer ventilators dan elders. Een altijd beschikbare lekkere vette hap. En vooral – een hoop plezier met aangename stamgasten.

 

De laatste vernieuwing vind ik OK. Die andere zouden me wel eens aanzetten tot een verhuis. Maar dan moet Jack ginds waar ik ga wonen een bijhuis openen. Ergens in Nong Khai of zo. En word ik penningmeester van het poolteam aldaar.

De Inquisiteur

 

Zelfkastijding

Ieder zichzelf respecterende mens denkt wel eens na over zijn levenswijze, zo ook wij expats. Kwestie van, om het op zijn Vlaams te zeggen, “de kerk in het midden te houden”. Enfin, hier spreken we van <wat> (tempel). 

Thailand, en dan vooral het zuid-oostelijke hoekje waar wij zitten, biedt nogal veel vertier aan en bovendien hebben we een zee van tijd. En is de levensduurte hier een pak lager dan in het barre Europa. Ergst van al, de gemiddelde leeftijd van een expat ligt boven de vijftig. Om niet te zeggen zestig. Dus denk je na want je geest mag dan wel zijn tweede adem gevonden hebben, je lichaam niet.

 

Zo zie je hier gezondheidsfreaks bij vierendertig graden joggen. Levensgevaarlijk want dat doen ze het liefst van al dicht bij huis in de drukke, levendige straatjes vol met chaotisch verkeer. Bandana rond de kop, zweterig T-shirt, veel te slobberige broek met grote zakken want ze moeten geld en telefoon mee, groene sokken en blauwe sportschoentjes en alles in goedkope Chinese namaak van een groot merk. Aan het zonnebrilletje moeten ze meer aandacht schenken of het zakt van hun neus. Na vijf minuten joggen beginnen ze al meer te hobbelen maar dat hebben ze zelf niet in de gaten. Het flesje water dat uit voorzorg werd meegenomen is na een kwartier al leeg.

 

Aanverwant zijn de wielertoeristen. Gekleed als wijlen Pantani malen ze de kilometers af. Op Sukhumvit Road waar dagelijks vijf verkeersdoden vallen. Doch ze houden vol want het is kwestie van gezien worden, zelf zien ze naar niks. Ook niet naar de aanstormende auto’s, de kwakkelende brommers en de wankelende sidecars. Op het einde van hun rit komen ze op het territorium van de joggers : de drukke straatjes van Nongprue waar de cafe’s en aanverwante gevestigd zijn. Vergeet ik nog te melden : net zoals de joggers hebben de fietsers zonder uitzondering een handdoekje in de nek liggen dat na tien minuten al nutteloos is wegens te zwaar zweten.

 

Vervolgens komen de fitness-mensen. Je kan geen verhaal horen aan de toog of ze hebben een ‘life-time’ lidmaatschapskaart van een sportclub. Die worden hier om de drie maanden zogezegd eenmalig goedkoop aangeboden. En vervolgens gaan ze failliet. Behalve Tony’s, de beroemdste en slimste van allemaal. Je kan geen wijk in of er is een Tony’s. Enkele mooie uitzonderingen in Pattaya centrum daar gelaten opent Tony waar hij maar kan. Een overdekte parking. Een schuurtje op het platteland. Een doodnormaal woonhuis. Plaatst er enkele toestellen waar niemand kennis van heeft en hoepla, neem een ‘life-time’ lidmaatschapskaart !

 

Dan heb je de werkers. Voor dag en dauw bed uit en aan de slag. Schilderwerk, muurtje verhogen, vijvertje bouwen. De tuin verzorgen, gras afrijden, palmtakken snoeien. Bewateren met emmertjes in plaats van met een tuinslang. Grond omspitten en bemesten. Bomen planten. Fruit oogsten. Potplantjes aanmaken. Tussen twaalf uur ‘s middags en vier uur namiddag rustpauze, de hitte en zon vermijden. Om dan te herbeginnen, bewateren is hier nodig wegens nauwelijks regen.   

 

Maar ook over het eten wordt nagedacht. Want zowat iedere expat heeft een stamkroeg en die serveren het vaderlandse eten. Dus meestal vettige en groenteloze kost. En zelfs de bekende Thaise eethuizen serveren ‘farang-food’ en daar grijpt de gemiddelde expat toch sneller naar dan naar het gezonde Thaise voedsel. Thuis wordt er boter, spek, eieren en ander ongezond voer verorbert. En liters bier. Dat hebben we nodig om onze vochtbalans op peil te houden. Dus nu en dan schakelen expats over naar gezonde voeding. Kilo’s groenten en fruit tot het toilet verstopt. Thai food tot de pikanterie zijn tol gaat eisen. Massa’s plat water uit dure plastic flessen wegens risicovol leidingwater. Fruitsap tot het toilet weer dienst weigert.

 

Ook slaap is belangrijk. Lastig soms want wij moeten niet uit bed, wij kunnen. Liederlijk nachtleven wordt ingeperkt, we kruipen om <haa toem jen> (drieëntwintig uur) bed in. En laten de wekker de volle acht uur tellen om nadien bij zonsopgang van een gezond ontbijt te genieten, koffie en sigaretten worden een kwartiertje achterwege gelaten. Uiteraard een middagslaapje, een uurtje maar hoor. Om de hitte te bestrijden en om de alertheid te verhogen. Op televisie is er toch niks te zien, we vallen vanzelf in slaap.

 

Nu, ‘wishful thinking’ is mooi genoeg. 

Want de werkelijkheid bij de Brass Monkeyers is anders. Na een biertje of zeven komt aan de toog de waarheid boven. Het was al te vermoeden want de gemiddelde stamgast hier begint al te zweten na een toiletbezoek. Voor ons is matigen gelijk aan zelfkastijding.

Neem nu jogging. De Inquisiteur had al wat vernomen, doch zowel de vertellers als de luisteraar waren toen al beschonken. Daan en Leen joggen. Iedere ochtend zeggen ze ! Tot de Inquisiteur hen eens waarnam op Siam Country Road – deze twee gaan niet in de met bars behuisde straatjes lopen. Daan had nog enkel een stevige stap, lopen was er niet meer bij. Je zag hem afzien, zelfs door de donker getinte ruiten van de auto. Honderdvijftig meter daar achter Leen. Rood hoofd, kromme benen en wankelend. Handdoek uitwringend. Op twee jaar tijd ben ik ze eenmaal tegen gekomen. Joggen noemen ze dat.

Fitness. Ongeveer tachtig procent heeft een lidkaart voor het leven. Bij Tony’s. Maar nog nooit kon iemand zeggen op welke dag, welk uur en hoelang hij “fitness-te”. Laat staan dat ze kunnen uitleggen waar sommige toestellen goed voor zijn en hoe ze te bewerken. Ze kennen wel de merknamen en prijzen van de vele illegale middeltjes die je hier overal kan kopen. Maar nee, ze gebruiken het niet. David, de Fries, is een “fitness-er”. Dan weet je genoeg.

Vreemd genoeg zitten er geen fietsers onder de stamgasten van de Brass Monkey, ondanks het feit dat de bar vol met Hollanders zit. Het zou kunnen zijn dat de financiële drempel te hoog is. Ofwel te gevaarlijk. Want de goedkope fietsen zijn wrakken met erbarmelijke remmen, zonder licht, geen bel. En de goede fietsen met bel zijn peperduur. Doch Daan heeft er eentje, een echte, stoere Hollandse fiets. Hij kwam naar Thailand met ambitie – hij zou het land rondfietsen. Waarschijnlijk te druk met joggen.

De werkers. Doen we allemaal, of beter gezegd, deden we allemaal. Maar op een bepaald moment is je huis in orde, enkel de kleine afwerkingen nog. Doch we moeten onze diverse gades toch de mogelijkheid geven om een beetje op onze kop te kunnen zitten? Dus laten we dat liggen. Tuinieren ? Na enkele jaren weet je dat alles hier groeit als kool. Steek een kale tak in de grond en hij is vertrokken. Zelfs al geef je te weinig water. Zelfs al vergeet je te bemesten. En koi’s voeren is niet zo inspannend. De slimmerds houden kippen – moet je zelfs je keukenafval niet meer buiten zetten. Gerard is zo iemand. En Nico. En ja, ook Daan weer. Heb je Bob. Die heeft al wekenlang hetzelfde verhaal aan de toog : hij moest het kapotte achterlicht aan zijn motorfiets herstellen. Is hij nog met bezig.

Slaap is niet ons grootste probleem. Als eerder vermeld, wij moeten het bed niet uit. Dus blijven we wekelijks wel enkele keertjes hangen tot ver na middernacht maar de gezonde acht uur slaap halen we wel. De rest van de dagen zijn we uitgeteld voor negen uur ‘s avonds, de dorst komt hier erg vroeg opzetten nietwaar. En volgens de toogverhalen maken wij geen middagslaapjes. Wij dutten weg. Voor televisie, in de tuinstoel, in de hangmat. 

Voeding is wel een probleem. Negentig procent heeft hier een serieuze pens. Het zit in de genen. Het is erfelijk. Is makkelijk weg te werken, wacht tot ze tijd hebben. Maar wat is er nou heerlijker dat een stevige portie sate’s ? Of dikke vleeskroketten ? Frietjes ?Mayonaise ? Overgoten met het nodige vocht – bier. Gelukkig kopen de serveuses nogal makkelijk aan de mobiele eetstalletjes. Eten we onze portie gezond maar onbekend fruit.  

Matigen met bier doen we ook. Je ziet het meer en meer op de maandagpool : we beginnen met een kop koffie. De hardliners, ook ondergetekende, bestellen vervolgens en tot grote verbazing van de serveuses een sodawater. Om pas driekwartier na aankomst over te gaan op bier. Een hele verbetering tegenover enkele maanden geleden ! Daarbovenop drijven we de zelfkastijding nog op. Sommigen toch. We gaan gewoon niet naar de stamkroeg, we blijven thuis. Ondergetekende is dan alcoholloos tot en met – tenzij de buren gaan buiten zitten, je moet toch blijven integreren he. Daan, Leen, Gerard, noem maar op – verraden zichzelf door de moderne technieken, ze plaatsen foto’s van hun thuisactiviteiten waar je zonder uitzondering de bierflessen mee ziet op staan. Of betrapt de Inquisiteur ze : hun brommertjes staan voor een gekend cafe. Terwijl ze me niet opbelden.

 

Neen, niet overdrijven met gezond doen is hier de boodschap. In dit klimaat is het zelfkastijding.

De Inquisiteur

De Engelsen

De Brass Monkey is een internationale instelling, een mens zou door al dat oranje gedoe, het frituur eten en het iets zwaardere bier denken dat hier enkel Nederlanders en enkele verdwaalde Belgen frequenteren, maar nee hoor. Integendeel zelfs, Nederlandstaligen maken niet eens de helft uit van het publiek. In Pattaya, en dus ook in ons geliefde Nongprue, zijn de Angelsaksen de grootst vertegenwoordigde groep. OK, ook Amerikanen, Australiërs, Canadezen en ander onkruid spreken de taal van Shakespeare, je kan nog gaan onderverdelen in Schotten en nog wat subgroepjes doch de Engelsen voelen zich hier de baas. Ze ontkennen de huidige inval van de Russen, ze weten nauwelijks wat Chinezen zijn, laat staan dat ze een onderscheid kunnen maken tussen de Taiwanezen, de Koreanen, Japanezen of Maleiers. Indiërs, ook een zwaar vertegenwoordigde groep, kennen ze wel maar die behandelen ze nog steeds zoals in de tijd dat ze daar de baas waren. Fransen en Duitsers komen hier gelukkig nauwelijks, van die kant geen problemen te verwachten. Bovendien denken Engelsen dat hun taal de enige ter wereld is.

 

En zo zit hier in onze stamkroeg ook een groepje vaste waarden, het Engelse poolteam. De eilanders verzwijgen snel dat ze steun krijgen van een tweetal Australiërs, een Fin en een Amerikaan maar dat is hun vergeven, in het roemrijke BVN-team (het Beste van Vlaanderen en Nederland) horen de Hollanders ook niet graag dat de enige twee Belgen het niveau op een ietwat aanvaardbaar peil houden. Bovendien wordt het Engels team af en toe uit de brand gehaald door ook al een Belg.

Het tweede team, want dat is het Engels team nu al bijna twee jaar wegens een achterstand in de onderlinge duels, is pas geleden zelfs kampioen geworden – in een minderwaardige competitie waarschijnlijk. Maar verwacht geen euforie zoals bij de Hollanders, geen polonaises of iets dergelijks, nee hoor, flegmatiek vinden ze het normaal. En wij, de BVN-ers, vinden dit spijtig want nauwelijks een drinkgelag. Maar zo zijn die eilanders nu eenmaal, hoe ze er in slagen om dronken rond te lopen was eerst een mythisch gegeven, nu weten we dat ze niet veel nodig hebben om zover te geraken. Voor de Inquisiteur voldoende aanleiding om eens een onderzoek te doen naar dit fabuleuze team, maar weet dat dit weblog volledig verzonnen is, enige gelijkenis met namen of personen komt volledig uit Uw eigen fantasie !

 

Toen de Brass Monkey Bar een jaar of twee geleden in alle geheim ontstond liep er reeds een zekere Steve rond en dat was de eerste bezieler van hun team. Engels-fanatiek verzamelde hij een aantal poolspelers en overtuigde Jack, onze kroegbaas, om in competitie te gaan. Ja natuurlijk, zelfs al zou er voorgesteld worden om het allereerste schaatsteam van Thailand op te richten zou Jack akkoord geweest zijn, business is business nietwaar? Steve dacht dat hij aan het hoofd van FC Liverpool stond, zo bezeten was hij. Een komen en gaan van spelers, gelukkig moest Jack geen transfergeld betalen. Doch Steve sloeg er niet in om goede resultaten te halen, mogelijk wegens het feit dat hij telkens zelf wou meespelen. Spijtig genoeg moest Steve voor privé-redenen terug naar zijn eiland doch hij is de beste supporter gebleven, hij volgt alles via internet en er is op de competitieavonden een live-verslag voor hem via Facebook.

 

Maar Steve had een basis gelegd. Zo verscheen op een mooie dag een Amerikaan ten tonele, Obama. Jack’s weinige haren rezen ten berge want Obama, Texaan en Republikein in hart en nieren, heeft een agressieve lichaamstaal. Meerdere wedstrijden moest hij halverwege wegens kwetsuur staken door woedend op de muur te slaan om een gemiste bal. Doch Obama ging Amerikaans-optimistisch door. Kocht een pooltafel en organiseerde oefensessies thuis, de BVN-ers mochten niet komen wegens te groot bierverbruik, het ging om het poolen. En zie, Obama is nu hun beste speler geworden. Af en toe mag hij opdraven op het juiste moment, de ploeg heeft dan reeds voldoende voorsprong, en denkt hij de match te winnen. Het is hem gegund, ondertussen is zelfs Jack aan zijn lichaamstaal gewend, bovendien is het fijne kerel.

 

Kwam er ook een Australiër op de proppen, Eddy. Die Steve bij z’n afscheid meteen kapitein maakte. Want Eddy is een erg goede speler. En dat laat hij merken. Ben je wat aan het oefenen, speel je een potje voor het plezier – daar is Eddy. Met een nogal meewarige glimlach komt hij advies geven die de Nederlanders op stang jaagt. En de Belgen. Eddy beseft niet dat wij allemaal steevast in redelijke staat van beschonkenheid verkeren en zodoende alle advies minuten later al vergeten zijn. Dus doet hij het ergste wat mogelijk is, hij komt meespelen. Voor niet-insiders : wil je spelen, zelfs al is de tafel bezet, hoef je gewoon je naam op het bord te zetten. De winnaar blijft staan en de volgende naam op het bord mag hem bekampen. Engels systeem dat ergernis uitlokt bij ons Lage Landers. Want zodra Eddy aan de tafel, blijft hij winnen en kunnen wij minder spelen. Eddy is medeverantwoordelijk voor onze zuippartijen die we vervolgens uit frustratie opzetten, zeker weten. Gelukkig heerst er in de bar een soort clubsolidariteit. En vinden we het best dat Eddy grotendeels verantwoordelijk is voor het gewonnen kampioenschap. Maar hij moet wegblijven van de onderlinge duels, een actie is al vastgelegd om hem dat te beletten.

 

In het tweede deel van afgelopen kampioenschap kwam er ook een zekere Jerry. Vermoedelijk een Schot wegens het accent, maar daar zijn er hier te weinig van dus is hij snel vriendjes met de Engelsen. En een beer van een speler – de Inquisiteur zag hem nog nooit een partij verliezen. Pas later ontdekten we dat hij zowat dagelijks ging oefenen in de Mega-Break, het meest gerenommeerde poolcafe van groot-Pattaya. En dat hij er zelfs ging competitie spelen voor de centjes. Tsja, andere koek dan wij natuurlijk. Hij was dan ook verantwoordelijk voor het BVN-verlies in het derde onderlinge duel ondanks het feit dat we hem probeerden op te sluiten in eigen huis die avond, die actie is echter niet doorgegaan door, jawel, overconsumptie onzentwege. Maar gelukkig is Jerry de vriendelijkheid in persoon, fanatiek pooler en van beslissende factor voor hun gewonnen titel. Beetje flemen mijnentwege kan nooit kwaad, momenteel zit Jerry terug in Engeland maar ik heb horen zeggen dat hij snel zal terugkeren. Hopelijk niet voor we het vierde onderlinge duel moeten spelen, ik sommeer onze kapitein Daan om dat snel vast te leggen !

 

Een tweede Australiër in hun team is Dave. Zachtaardige levensgenieter zonder de drank welteverstaan. Een redelijk pooler, hij zou in het BVN-team mee kunnen draaien. Maar ook weeral dermate fanatiek dat hij dat niet wil, bovendien spreekt hij geen Nederlands. Wil alles winnen alhoewel zijn eigen spel wel eens onder niveau draait. Kreeg ons in onderling overleg zover dat we niet meer roken rond de pooltafels – daar zou hij last van hebben maar vreemd genoeg kwam hij daar mee op de proppen wanneer hij in een slechte periode zat. Het is een zachtaardige man die iedereen graag mag, dus hij kan blijven waarschijnlijk. Doch mag hij in beslissende wedstrijden niet meer al zijn games verliezen.

 

Tony. Vanwege zijn accent kan de Inquisiteur niet gokken op zijn nationaliteit doch ik vermoed Engels. Sluipt redelijk onzichtbaar doorheen de bar tijdens de poolavonden. Altijd een glimlach op de mond en vaste waarde in hun team. Oerdegelijk op het saaie af. Grapje natuurlijk want Tony is de enige drinker in hun team. Een reden daarvoor zou kunnen zijn dat hij hier ten lande werkt. Vreselijk moet dat zijn en Tony laat zich dan ook graag gaan tijdens de poolavonden. Toch verliest hij zijn games niet al te vaak, hij is een van die mensen die rond zijn vierde al een keu in handen kreeg en nooit meer weggaf. Op zo’n mannen kan je bouwen, ons BVN-team zou ook zo iemand moeten hebben.

 

Op de een of andere manier hebben ze er ook een Fin bijgehaald. Chris. Scandinavische lichaamsbouw maar of dit een gevolg is van eten of drank laat ik in het midden. Chris is de rots waar hun team dankbaar gebruik van maakt. Altijd aanwezig en vergezeld van zijn vrolijke gade Pon. Die foto’s neemt. Alle wedstrijden. Honderden. Maar daar liggen we niet wakker van, we hebben Chris graag in de onderlinge duels – hij verliest zijn games steevast. De Brits-flegmatieke houding van ‘ik zal eens even spelen en winnen’ heeft hij niet. Wegens grote dorst, zou hij wat Nederlands praten mag hij direct naar het BVN-team. Zulke hoeveelheden die verzet is niet te geloven, daar kunnen wij nog een lesje aan nemen. Chris is ook ontwikkelaar en onderhoudsman van deze website. Waarschijnlijk daarom hebben de Engelsen hem in het team genomen, iedere slechte kritiek moet hij eruit halen. Gelukkig mag hij dat niet in het weblog.

 

Last but not least is er Neville. Een monument uit de vorige eeuw. Karakterkop en karakterdrinker. Poolen? Jawel, Engelsman als hij is op een fanatieke wijze. Maar kwalitatief wisselvallig. Mentaal kwetsbaar maar dat kan van het Changbeer zijn. Wisselt zodanig van ploeg dat de tegenstrevers geen idee meer hebben of hij voor de Brass Monkey speelt of niet. Doch de Inquisiteur zal hier een geheimpje ontluisteren : afhankelijk van de prijs van het bier kiest hij zijn bar uit. Maar ontzettend leuk man die alle roddels over de diverse poolcompetities weet. Die weet wie de komende tegenstrever is, hoe sterk of zwak die zijn. Heel wat anders dan de BVN-kapitein.

 

En de laatste weken werd hun team uitgebreid met een Belg. Peter-de-eter. En die past daar wonderwel in want ook hij is geen drinker. Fanatiek Pietje-precies die niet kan hebben dat de muziek te hard staat. Dat de ventilators te hard draaien, dat er teveel heen en weer geloop is rond de tafel. Die steevast controleert of de tafel niet afwatert. Allemaal dingen die hij in het BVN-team niet kon toepassen want wij lachen daar allemaal eens mee. Maar hij houdt van het spel, hij blijft ook lid van het BVN-team, mogelijk wegens het feit dat hij nu drie dagen per week gratis kan eten – een verplichting voor de thuisploegen. En hij is een redelijk goed speler, meegenomen voor de Engelsen die hem voor de woensdagcompetitie zelfs kapitein gemaakt hebben.

 

Engelsen kunnen erg lui zijn, iemand moet die namen toch op het bord zetten in deze hitte nietwaar?

De Inquisiteur

 

Gewoontes

De huidige paniek in Europa aangaande de hittegolf laat ons stamgasten lachen. Gewend aan tropische temperaturen tot ver boven de dertig graden, een gans jaar lang met ook ‘s nachts geen of nauwelijks afkoeling, weten wij perfect hoe ons te gedragen. De berichten vanuit Europa, als altijd een opgestoken vingertje met idiote waarschuwingen hoeven voor ons niet, integendeel, het stelt ons gerust aangaande onze beslissing om te emigreren.

 

En dus is onze dagindeling rustig maar zeker. Bij het opstaan en na de eerste douche gaan we steeds even kijken naar de thermometer. Gerustgesteld zien we die rond 8u ‘s ochtends reeds op dertig graden staan. Kopje koffie, sommigen met ontbijt, sommigen met een sigaretje, krantje op de tablet lezen en relaxen – alhoewel we pas uit bed kwamen. Na een halfuurtje leggen we al die westerse dingen weg en denken we na over onze dagindeling. Goede planning geeft het beste resultaat is hier de heersende filosofie dus kan dat denken behoorlijk wat tijd in beslag nemen. Enkele luie uitzonderingen daar gelaten gaan we vervolgens aan de slag. De huurders van een kamer of appartementje trekken onmiddellijk de straat op, op zoek naar eten. De meesten hebben hun vaste eetstalletjes ingeval van een Thais ontbijt, anderen kennen de schaarse westerse instellingen die zo vroeg al open zijn.

De huurders of eigenaars van een huis gaan have en goed wat onderhouden aan een rustig tempo. Wat tuinwerk, beetje onderhoud aan de bakstenen, wat schilderwerk. Of gaan aan hun hobby’s, sommigen houden hier zelfs enkele kippen, gewoon voor de lol. Altijd met de fles water bij de hand, uitdroging zal ons nooit overkomen. Ook de kledij is aangepast, niemand zal hier in blote torso de tuin intrekken of in volle zon gaan staan.

 

Rond de middag voelen we dat het te warm wordt voor verdere en zware fysieke inspanningen, een blik op de thermometer bewijst ons gelijk : rond 12u staat die meestal rond de drieëndertig graden. Bovendien hebben wij net zoveel tijd als de rijken der aarde geld hebben en gaan we in de schaduw, onder een plafondventilator, rustig recupereren. Tijd voor de tweede douche van de dag, niet zozeer om schoon te worden maar eerder om af te koelen, en vervolgens hangt het af van de mentale instelling. Motorfietsje op, beetje gaan buurten bij de vrienden. Of gaan inkopen, een van de weinige dingen die we maar niet laten kunnen, onze koelkast moet gevuld zijn. Of wat televisie kijken – een goed excuus voor een middagslaapje. En tegenwoordig zijn we allemaal zonder uitzondering computerexperts, nu ja, in de spelletjes. 

 

Tenzij er wat met vrienden iets is afgesproken of er een geplande activiteit op het programma staat, begint het rond 15u bij iedereen te kriebelen. We hebben genoeg Thais gekwekt met vrouw, vriendin, vriend, buren en andere autochtonen en we krijgen zin om onze eigen taal en cultuur wat te beoefenen. Ook de dorst slaat toe doch het water hangt ons de keel uit. De stamkroeg lokt.

 

Genieten we rond 16u van de derde douche van de dag en hup, motorfiets op. Rond deze tijd van de dag zetten we de gehate helm op, niet uit veiligheidsoverwegingen maar als voorzorg tegen de naar een bijverdienste op zoek zijnde politieagent. Zelfs wanneer het een kort ritje is genieten we ervan. De straten zijn vol leven, weliswaar druk maar gezellig. De zelf gecreëerde wind is fijn, we negeren het stof net als we  de andere weggebruikers negeren, we rijden op zijn Thais na al die jaren. Als altijd kijken we uit, niet alleen naar de nieuwe en meestal erg diepe kuilen op de weg, maar ook naar de winkels en bars. Altijd is er wel wat nieuws te zien : een Thais eetstalletje dat druk bezocht wordt en dus waarschijnlijk lekker en goedkoop, een winkel waar handige dagdagelijkse spullen worden aangeboden zodat we niet meer naar de stad moeten bollen, een optimistische westerling die een nieuwe bar geopend heeft – je weet maar nooit.

 

Met de nodige flair arriveren we aan de Brass Monkey, zonder uitzondering probeert iedereen vlot het lastige voetpad op te rijden en in een enkele keer het brommertje correct te parkeren – alhoewel weinigen daar in slagen want tegelijkertijd probeer je te zien of er al bekenden aanwezig zijn. Beetje sukkelen met de zijpoot die zonder uitzondering altijd in rul zand of in een kuil terecht komt, sukkelen met de helm die nooit van de eerste maal aan het haakje blijft hangen, sukkelen om je been over de motor te krijgen bij het afstappen. En altijd laten we onze sleutel vallen.

Aangezien het hier ook een open bar is hoef je geen deur open te maken, je wandelt gewoon binnen. Ongeveer de helft struikelt over iets dat in de weg ligt, breed lachend en goedendag waaiend naar iedereen. De serveuses klampen je onmiddellijk aan, je krijgt als altijd een hele lieve glimlach en een Thais gesproken begroeting met de onmiddellijke vraag of je een biertje wil, sterker nog, eentje maar? Compleet in de war zeg je vervolgens in het Engels een goedendag tegen een Nederlander, in het Nederlands tegen een Engelsman of stamel je wat Thais tegen iedereen. 

En altijd zit er wel iemand nou net op die barstoel waar je zelf wil neervlijen. Is de pooltafel bezet terwijl je weet dat je beter bij aanvang wat gaat oefenen, na je vierde biertje heb je geen zin meer in deze hitte. Je brengt de eerder aanwezigen in verwarring want je probeert zowat vijf ventilators op jezelf te richten. Je kijkt stiekem op de klok – is het nog niet te vroeg om al te beginnen?

 

Doch er zitten steevast al wel enkele zondaars, dus geen probleem. Het eerste biertje smaakt wat bitterzuur, het tweede biertje gaat al veel vlotter en voor je het weet ben je aan je zevende bezig. De wereldproblemen worden opgelost. Het eigen land wordt afgekapt. De eigen oude voetbalclub wordt in een oogwenk kampioen. Het slachtoffer van de dag wordt steevast gevonden. De vrouwen worden mooier. Geheimen komen openbaar. De dorst wordt groter. Het bier is te koud. Het bier is te warm. Beloftes worden gemaakt. Vriendschappen gesmeed, vriendschappen ontbonden. Nieuwe liefdes ontvlammen, oude liefdes ontbonden. Kortom, cafepraat in de hoogste graad maar ‘t is plezant – op zijn Vlaams gezegd. En het is gewoonte, als altijd.

 

En België wordt volgend jaar wereldkampioen voetbal, zeker weten. ‘k Zal dat eens rap gaan verkondigen zie.

De Inquisiteur